Op 2 september 2021 is op de website van de Rechtspraak een uitspraak gepubliceerd van de Rechtbank Den Haag van 29 juni 2021, AWB - 20 _ 5038, ECLI:NL:RBDHA:2021:9235. In de onderliggende uitspraak heeft de Rechtbank Den Haag beslist dat een online sportplatform geen recht heeft op het verlaagde btw-tarief zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB en post b.3 van de bij deze wet behorende Tabel I.

 

Feiten

1.    Eiseres geeft sportbeoefenaars tegen vergoeding de gelegenheid om via een zogenoemd virtueel platform (het sportplatform) gebruik te maken van workout- en instructievideo’s. Eiseres is aldus ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

2.    Het sportplatform biedt verder toegang tot blogs en video’s met recepten en tips voor een gezonde levensstijl. De sportbeoefenaars sluiten een abonnement af bij eiseres. Voor de abonnees wordt een op maat gemaakt sportschema opgesteld. De abonnees volgen het programma online en verrichten de trainingen thuis of op een andere door hen gekozen locatie. Eiseres beschikt niet over een sportaccommodatie waar de abonnees gebruik van kunnen maken.

3.    Eiseres heeft op de aangifte voor de maand augustus 2019 omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief. Zij heeft daartegen bezwaar gemaakt omdat volgens haar het verlaagde tarief van post b.3 van Tabel I bij de Wet OB van toepassing is (het verlaagde tarief).

 

Geschil

4.    In geschil is of op de prestaties van eiseres het verlaagde tarief van toepassing is.

5.    Eiseres stelt dat haar prestaties zijn aan te merken als het gelegenheid geven tot sportbeoefening. De doelstelling van post b.3 van Tabel I, het bevorderen van sport en lichamelijke opvoeding, dient leidend te zijn en de vorm waarin die gelegenheid wordt geboden is daaraan ondergeschikt. Het hoort geen verschil te maken of de sportbeoefening op locatie wordt geboden dan wel via internet. Volgens eiseres worden de fiscale neutraliteit en het beginsel van gelijke behandeling zoals vastgelegd in artikel 20 van het Handvest van de EU (het Handvest) geschonden omdat zij dezelfde soort diensten aanbiedt als reguliere sportscholen. Volgens eiseres zijn artikel 98, tweede lid, van de BTW-richtlijn en punt 14 van bijlage III bij die richtlijn ongeldig op grond van het beginsel van gelijke behandeling. Ook stelt eiseres dat de omzetbelastingregelgeving dateert van voor de digitalisering en daarom onvoldoende rekening houdt met de technologische vooruitgang. Eiseres wijst verder op de tijdelijke goedkeuring in het kader van de Covid-maatregelen waarbij sportscholen het verlaagde tarief mogen blijven toepassen wanneer zij overgaan tot online lessen (de Covid-regeling).

6.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor toepassing van het verlaagde tarief sprake moet zijn van een recht om gebruik te maken van een fysieke sportaccommodatie en dat daarvan bij de diensten van eiseres geen sprake is. Van strijd met het neutraliteitsbeginsel of het gelijkheidsbeginsel is volgens verweerder geen sprake omdat geen sprake is van gelijke prestaties. De sportscholen waarmee eiseres de vergelijking trekt, bieden namelijk juist wel het gebruik van een accommodatie aan. De Covid-regeling is tijdelijk en is niet meer aan de orde zodra de sportscholen weer open zijn.

 

Beoordeling van het geschil

 

Accommodatie

7.    Ingevolge artikel 9, tweede lid, letter a, van de Wet OB is het verlaagde tarief van toepassing op de levering van goederen en diensten vermeld in de bij de Wet OB behorende Tabel I. Post b.3 van Tabel I luidt: het geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden.

8.    Post b.3 van Tabel I moet zo worden uitgelegd dat de reikwijdte daarvan samenvalt met die van categorie 14 van Bijlage III bij de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn), op grond waarvan de lidstaten het verlaagde btw-tarief mogen toepassen op het verlenen van ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’.

9.    De bepalingen van bijlage III bij de btw-richtlijn moeten strikt en overeenkomstig de gebruikelijke betekenis van de betrokken woorden te worden uitgelegd. Dat betekent dat de werkingssfeer van deze bepalingen niet mag worden uitgebreid tot verrichtingen die noch in de bewoordingen van die bepaling zijn opgenomen, noch intrinsiek met dit begrip verbonden zijn.

10.   In punt 65 van het Bastova-arrest heeft het Hof van Justitie van de EU het volgende overwogen:

       “Het begrip ‘recht gebruikt te maken van sportaccommodaties’ moet daarom aldus worden uitgelegd dat dit het recht betreft accommodaties te gebruiken die voor sportbeoefening en lichamelijke opvoeding zijn bestemd, alsmede het gebruik daarvan met dat doel voor ogen.”

11.   Gezien het voorgaande en de duidelijke bewoordingen van categorie 14 van bijlage III bij de btw-richtlijn, volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat het op grond van de doelstelling van deze bepaling niet relevant is waar de sportbeoefening plaatsvindt. Weliswaar wordt in punt 30 van het Cuxhaven-arrest gerefereerd aan de doelstellingen die met de regeling van verlaagde tarieven worden nagestreefd, maar dat is uitsluitend om te bevestigen dat het niet is toegestaan de posten uit te breiden met activiteiten die daarin niet worden genoemd en ook niet intrinsiek daarmee verbonden zijn. Dat de omzetbelastingregelgeving dateert van voor de digitalisering en de daarmee samenhangende technologische ontwikkelingen betekent evenmin dat voor toepassing van het verlaagde tarief niet langer vereist is dat een sportaccommodatie beschikbaar wordt gesteld. De verwijzing door eiseres naar de aanpassingen voor zogenoemde e-books, duidt eerder op het tegendeel. Zonder die wijzigingen was het niet mogelijk dit nieuwe product onder het verlaagde tarief te rangschikken.

12    Weliswaar volgt uit de door eiseres aangehaalde arresten van de Hoge Raad dat het begrip “gebruik maken van een sportaccommodatie” ruim moet worden opgevat, maar uit geen van die arresten volgt dat het verlaagde tarief ook kan worden toegepast in de situatie dat er geen accommodatie beschikbaar wordt gesteld.

13.   Het verlaagde tarief van post b.3 van Tabel I is dan ook uitsluitend van toepassing wanneer door de ondernemer daadwerkelijk een fysieke accommodatie beschikbaar wordt gesteld. Vaststaat dat daarvan geen sprake is bij de door eiseres aangeboden online diensten. Op die diensten is het verlaagde tarief dus niet van toepassing.

 

Fiscale neutraliteit en gelijkheidsbeginsel

14.   Dat zowel eiseres als reguliere sportscholen zich richten tot sporters en trainingen aanbieden, maakt niet dat voorbij moet worden gegaan aan de eis van het beschikbaar stellen van een fysieke accommodatie. Aangezien eiseres haar diensten uitsluitend online aanbiedt, verschillen haar diensten wezenlijk van reguliere sportscholen die gelegenheid bieden gebruik te maken van een sportaccommodatie. De stelling van eiseres dat artikel 98 van de btw-richtlijn en daarmee de regeling van post b.3 van Tabel I in strijd is met het neutraliteitsbeginsel of met het bepaalde in artikel 20 van het Handvest treft daarom geen doel.

 

Covid-regeling

15.   In het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van de staatssecretaris van financiën van 21 december 2020 staat met betrekking tot het verlaagde tarief voor de als alternatief aangeboden online sportdiensten van sportscholen het volgende vermeld:

“De vervallen goedkeuring inzake het verlaagd btw-tarief voor online diensten door sportscholen is opnieuw opgenomen (onderdeel 9b)

 

9b. Verlaagd btw-tarief kan doorlopen op alternatief online sportdiensten door sportscholen

In verband met de bestrijding van de coronacrisis zijn sportscholen tijdelijk verplicht gesloten. Sportscholen werken veelal met abonnementen, waarbij hun afnemers voor langere tijd of meerdere keren de gelegenheid wordt geboden tot sportbeoefening.Om hun afnemers toch nog van dienst te kunnen zijn, bieden sportscholen hun diensten nu in aangepaste vorm online aan. De toepassing van het verlaagde btw-tarief (nu: 9%) is echter ekoppeld aan het ter beschikking stellen van sportaccommodaties. Hiervan is in dit geval geen sprake. Gelet op de bijzondere situatie en het tijdelijke karakter van de sluiting keur ik het volgende goed.

 

Goedkeuring

Ik keur goed dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de sportlessen die sportscholen en dergelijke ondernemers gedurende de verplichte sluiting online aan hun afnemers aanbieden. Deze goedkeuring kan met terugwerkende kracht worden toegepast vanaf 15 december 2020 en geldt totdat de verplichte sluiting wordt opgeheven.”.

 

16.   Weliswaar is aannemelijk dat de door de sportscholen bij wijze van alternatief online aangeboden activiteiten niet wezenlijk zullen verschillen van de trainingen die eiseres standaard online aanbiedt, maar dat brengt niet mee dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Uit de toelichting op de Covid-regeling volgt immers dat deze uitsluitend is ingegeven uit praktische overwegingen en alleen ziet op de situatie waarin normaal gesproken gelegenheid wordt gegeven gebruik te maken van een sportaccommodatie en dit door overheidshandelen tijdelijk niet mogelijk is. Eiseres verkeert niet in een dergelijke situatie. Ook op dit punt is daarom geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De stelling van eiseres dat de Covid-regeling eigenlijk de hoofdregel zou moeten zijn, wat daar overigens van zij, maakt niet dat eiseres op die regeling een beroep kan doen.

17.   Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

 

Proceskosten

18.   Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

 

Copyright – internationaltaxplaza.info

 

 

Follow International Tax Plaza on Twitter (@IntTaxPlaza)

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to StumbleuponSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
INTERESTING ARTICLES